|
In 1949 publiceerde de
heer W.F. Daems, apotheker te Naarden, in Gens Nostra (nr. 7/8
juli/augustus) een artikel over apothekers in Purmerend aan het eind van
de 18e eeuw en in de eerste helft van
de 19e eeuw. Twee van de in dit artikel genoemde apothekers, Jacob
Makkes en zijn zoon Pieter, trokken mijn belangstelling omdat mijn
echtgenote (familienaam Makkes van der Deijl) aan hen verwant is. De wijze waarop
men in de 18de (en nog tot ver in de 19de) eeuw apotheker werd, was vrij
primitief. Op zeer jeugdige leeftijd (13 jaar en jonger) gaat de
jongeling in de leer bij een Meester-Apothecar. In de grote steden, waar
de apothekers in een eigen gilde, of met heelmeesters en chirurgijns in
een z.g Collegium Medicum zijn verenigd, wordt de leerling ingeschreven
in het "Inschrijfboek van Apothekers-knechts en leerlingen".
Na drie jaar ijverig gewerkt te hebben, ontvangt hij een Testimonium
trienii tyrocinii (Diploma Tyrocinii). Verplaatsingen van leerlingen van
de ene naar de andere Meester gaan gepaard met administratieve
overschrijvingen ("overtekenen" noemden zij zulks). Apothekers Balen, Bernardus Arnoldus van, geb. Den Haag, overleden 19.5.1829 (74 j.) geb. Den Haag, overleden 19.5.1829 (74 j.) te Purmerend, was gehuwd met Johanna Christina Plemper (overl. Purmerend 21.7.1798). Hij was gedurende 7 1/2 jaar apotheker te Leiden, daarna 2 jaar te Utrecht en ten slotte te Purmerend. Hij deed in 1784 examen. In 1813 was hij Adjunct-Maire, later Wethouder. Balen,
Jan Plemper van, zoon van de voorgaande, geb. te Purmerend
25.4.1790, gehuwd aldaar 30.6. 1813 met Cornelia Visscher.
Was apotheker in de Peperstraat. In 1811 deed hij voor de
Departementale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt
residerende te Haarlem examen als apotheker voor een stad (Purmerend).
Op 11.7.1811 betaalde hij het examengeld, f 210.-. Voor tijdens het
examen gebruikte kolen en voor het licht betaalde hij op 19.12.1811 f
2,40 en nog f 6.- voor het gebruik van het laboratorium. Balen,
KIaas Plemper van, zoon van de voorgaande, geb. te Purmerend
19.2.1817, gehuwd aldaar 10.2.1839 met Gijsbertha Geerke.
Hij deed 24.11.1838 te Haarlem zijn examen als apotheker. [Daems houdt bij Jan en zijn zoon Klaas ten onrechte vast aan de naam Van Balen. Hun familienaam is hier echter al veranderd in Plemper van Balen. Aan de genealogie Plemper van Balen wordt nog gewerkt; deze zal binnenkort op deze site worden geplaatst] Boomsma, Pieter Jelles, zoon van Jelle Jetzes Boomsma, koopman te Harlingen, en van Dieuwke Johannes. Hij was apotheker en drogist in de Hoogstraat. Hij deed in 1810 te Amsterdam zijn examen. Het examengeld betaalde hij 28.12.1810, terwijl hij 18.8.1811 een "tamelijk" examen in de Hortus ("in de groene kruyden") aflegde. Hij huwde 23.8.1812 te Purmerend met Wellemoet Versteveren. [Pieter
Jelles Boomsma had drie dochters, van wie er één jong overleed, en de hieronder genoemde zoon. Deze
verdronk bijna twee jaar na zijn huwelijk met Neeltje Oud op 29-jarige
leeftijd in de
Ringsloot bij Ilpendam. Er waren geen kinderen; de van oorsprong Friese
familie Boomsma zet zich in deze tak dus niet voort. De
familie Boomsma in Purmerend] Buin
(Buyn), Cornelis, zoon van de volgende, geb. te Purmerend 27.4.1824.
Deed 23.12.1847 te Haarlem examen. Buin,
Pieter. Was apotheker te Purmerend. In 1822 betaalde hij
aan de Dep. Comm. van Gen.Onderz. en Toevoorzigt te
Haarlem f 9. - voor het viseren van zijn diploma, waaruit volgen zou,
dat hij zich genoemd jaar te Purmerend als apotheker vestigde. Hij was
gehuwd met Gijsberta
Sijpesteijn. Craaij,
Jacobus, gedoopt te Monnikendam 18.1.1787 (geref), zoon van Bruijning
Nicolaas Craaij en van Weijntje van Veeren. Overl. te
Amsterdam 7.3.1830. Was gehuwd met Hillegonda Willemina Wormer.
Hij was 4 jaar en 3 mnd. "winkelbediende" bij de
Amsterdamse apotheker Van Dorsten en 5 ½ jaar bij
apotheker C.L. Volmar te Monnikendam (attestaties d.d. 2.11.1808). Op
5.12.1808 heeft hij zijn theoretisch examen gedaan en worden hem de
practische werkstukken ter bereiding opgegeven. Nog in 1808 vestigde hij
zich als apotheker te Purmerend ("op 't Venediën"). Craaij,
Jacob Willem, zoon van de voorgaande, geb. te Purmerend
10.6.1817. Werd in september 1836 ingeschreven als leerling der
pharmacie aan de Clinische School te Amsterdam. De Hoogleeraar W. Vrolik
noemde hem in zijn rapport d.d. 1.7.1837 (zonder meer). Hartinck,
Harms. Was in 1790 als apotheker te Purmerend gevestigd.
Hij had geen examen gedaan. In 1808 overleden. Heitinck,
H.H., apotheker te Purmerend, nog in 1808. Hoven,
Adriaan van de(r), met een chirurgisch diploma van 1780 als apotheker
te Purmerend gevestigd (dus een chirurgijn met
"apothecarswinkel"). Hij vertrekt in 1809 naar Utrecht. Makkes,
Jacob, geb. te Edam plm. 1783, zoon van Pieter Makkes, kaarsemaker,
en van Suzanna Swart. Hij huwde 26.5.1811 te Purmerend Aagje Rust
en was als apotheker te Purmerend gevestigd. Makkes, Pieter
Jacobs, zoon van de voorgaande, geb. te Purmerend
20.3.1812. Deed 14.3.1833 zijn apothekersexamen te Haarlem. [De familie Makkes in Purmerend] Molenaar,
Joris Johannes, geb. te Purmerend 28.2.1831, zoon van Leendert
Molenaar, meelmolenaar, en van Maria Switzer. Deed 13.11.1851
te Haarlem examen, vestigde zich daarna als apotheker te Purmerend. Verhoop,
Daniël. Volgde in 1800 de lessen van het Publiek Onderwijs
te Amsterdam; was toen leerling bij apotheker Leignes te Amsterdam. In
de naamlijst van hen die deze lessen volgden, staat bij zijn naam
aangetekend: "Verhuist na Zwol". In 1809 legde hij te
Amsterdam het examen af. Op 16.5.1809 verkaren de apothekers Van Meurs
en Leignes, dat hij resp. 3 maanden en 3 jaar en 3 maanden bij hen in
dienst is geweest. Zijn examen in de Hortus legde
hij af op 18.8.1810. In 1813 noemt hij zich apotheker en chirurgijn. Hij
was gehuwd met Elizabet Johanna Schwartze. Woltman,
Johannes Matthias, geb. plm. 1740, overl. te Purmerend 14.2.1816. Werd
in 1756 leerling, 1759 gezel, 1764 apotheker. Sedertdien te Purmerend
als "apothecar en chimist" gevestigd. Later tevens Lid van de
Raad. Zwaneveldt, G.W. Was als apotheker te Purmerend gevestigd omstreeks
1808 op een vals diploma.
Op 3 October 1808 werden de apotheken te Purmerend door daartoe
bevoegde Amsterdamse doctoren geinspecteerd
("winkel-visitatie" noemde men deze inspectie). Zij
rapporteren: J.M.
Woltman, Apotheker, geëxamineerd, drie winkelknechts. De
Apotheek in orde volgens Pharmacopoea Batava (het toen vigerende
wettelijke voorschriftenboek). B.A. van
Balen, Apotheker zedert veele jaren aldaar gezeten, de
winkel in goede orde bijna volgends de Ph. Bat.; de zoon winkelknecht. H.H.
Heitink, Apotheker zedert jaren aldaar gezeten, 3 knechts.
De apotheek in de uiterste orde volgends de Pharm. Bat. en van alles
ruim voorzien. Zwaneveld, Apotheker. Het diploma van apotheker was onecht, en
is door de Commissie ter visie der vergadring meegenomen. Declareerd Zwaneveld
dit Diploma van de Castelyn Crevins boven de hal, ontfangen te
hebben. Is hem gezegt zijn apotheek te moeten sluiten. Dan zodra hij
begreep, dat dit Diploma onaangenaamheden zou veroorzaken, zeide hij,
als dreigende, dat de Heer Van der Sleyden, Secretaris van den
Landdrost, zijn neef was. De winkel is niet geïnspecteerd door de
Commissie. Het onecht Diploma is van voorn. Zwaneveld door de
Commissie overgenomen in presentie van den Heer Med. Doct. en Lector
Rant te Purmerend. Weledele Heer! WelEd Heer! Doctoren
en apothekers beschuldigden elkaar in die tijd om de haverklap van op
elkanders terrein te komen; doctoren bereidden zelf geneesmiddelen en
verkochten die; apothekers mochten graag eens dokter spelen. De
getuigenissen zijn 1e. van Mr. François Galles, Secretaris van de
Beemster en van Bernardus Selleger, Koninglijk Notaris, beide te
Purmerend, die verklaren, dat het een bekende waarheid is, dat te
Purmerend de apothekers medicineren en 2e. van Willem de Groot, inwoner
van Purmerend, die verklaart, dat apotheker Verhoop de patient
Karel Koning te Purmerend heeft behandeld. De huisvrouw en schoonzuster
van Karel Koning hebben hem (de Groot) zulks zelf op 24.11.1809
verklaard. Nog vandaag heeft Verhoop aan de vrouw en hare zuster
gezegd, "dat het gevaar der ziekte geweken was". De Groot
verklaart verder, dat Verhoop de medicijnen door zijn huismeid
heeft laten bezorgen aan Karel Koning. Woltman, eveneens beschuldigd, schrijft op 27.12.1809 aan
Doctor N.W. Rauwenhoff (Lid van de Comm. van Gen. Onderz. enz. te
Amsterdam) hoe de vork eigenlijk in de steel zit: "De
Heer Rant is hier gehuuwt aan een brave jonge jufrouw dogter van den
waardige Heere Jb Wormer ook mede Lid van den raad, sijn Ed. zelve en de
geheele raad veroordeelten Rant zijne handelwyse/ alle zijn van de
beschuldiginge/ daarin vervat overtuijgt als valsch en segt/ en zijn er
mede verlegen en willen zo veel doen als mooglijk om den ouden Heer geen
meer verdriet aan te doen/ maar daar ik zo zeer en schandelijk daarin
behandeld worde/ zo konde niet van mij verkrijgen/ om door een berigt
na waarheid de Commissie in staat te stellen/ om na waarheid en locale
omstandigheden te kunnen oordeelen, had doctor Rant zig beklaagt en
versogt dat de Apothecars hier verboden mogte worden, om dat het sijn
Edl. benadeelde ik zoude er niets van geweeten hebben/ maar nu dat hij
zijn Request grond op geheele valsche en eerrovende leugens daar niets
van waar is; nu vorderde dog mijne eere om die fatale leugens aan te
tonen/ daarbij geloove ik niet dat zo eene handeling hem in meer
practijk zal brengen/ maar
wel als sijn Edl. zig ten besten liet raden/ maar sijn Edl. wijsheid is
boven alles/ en hij volgt zijn eijgen begrip/ want voor mij ik heb het
geen minste voordeel bij de practijk/ maar als de menschen doch gedwongen
worden aan de willekeurige handelwijs van een jongling dat valt ook hart/
daar sijn Edl. Dit was zijn persoonlijk
schrijven aan Rauwenhoff. Aan de Commissie officieel heeft hij een
schrijven laten opmaken van vier kantjes folio. Het uitvoerig relaas is
samen te vatten in vier beschuldigingen en de weerlegging daarvan. Ad 1. De beschuldiging is juist;
hij doet het al meer dan 40 jaar in overleg met den stadsdoctor Anth.
Jan Menger, wiens practijk hij bij ziekte waarnam (van 1764-april 1805).
Het College van de algemeene Armen verzocht hem ad interim de
arme zieken te visiteeren en de nodige medicamenten voor te schrijven.
Hoewel daarvoor een vast tractement werd gegeven, heeft hij dat niet
aanvaard, daar hij uit liefde voor de lijdende mensheid nog nimmer voor
loon had gepractiseerd. Ad 2. Indien dit werkelijk zo
is, dan hebbe ik gedwaald - schrijft hij - doch volgens art. 14 van de
Wet van 20.3.1804 mocht ik de practijk blijven uitoefenen. Bovendien,
als Rant mij dit verwijt, waarom heeft hij dan ten voordele van zichzelf
mij daartegen laten zondigen? Ad 3. Laat Rant daarvan de
bewijzen leveren. Veel meer zal de Zeergeleerde en Ervaren arts te
Monnikendam, de Heer Thierens kunnen getuigen, die met hem over
belangrijke patiënten heeft gepractiseerd. Ad 4. Dit is een leugen; nooit
heeft hij mij zooiets gezegd. Ook twee andere apothekers kunnen dit
bevestigen. Tot zover dit schrijven. Er
blijkt in ieder geval wel uit dat Woltman
een omvangrijke medische practijk moet hebben gehad. Apotheker B.A. van Balen schrijft op 3.3.1810 in dezelfde trant. Hij wijst
er op, dat hij reeds 30 jaren apotheker is, waarvan 7 1/2 jaar
te Leiden en 2 jaar in Utrecht. Rant stuurde op 18.1.1810 aan
de Secretaris van de Commissie te Amsterdam als bewijsstukken twee
recepten, door Woltman geschreven
en bij apotheker J. Craaij ter
gereedmaking aangeboden. Zij zijn door Craaij
welwillend ter beschikking gesteld! Rant merkt op dat ze met
potlood geschreven zijn, zoals Woltman
nog steeds doet. Hij practiseert nog even sterk als voren. De
recepten waren bestemd voor Melis Spaan en gedateerd 8.11.1809. Ten slotte bevat het archief
over deze historie nog de verklaringen van Lijsje Baan, Christina Baan
met getuigen Jan Bakker en Maartje Rosendaal d.d. 14.2.1810. Zij beweren
dat Lijsje voornoemd enige keren gewaakt heeft bij Karel Koning, toen
deze ziek was en dat zij gezien heeft dat Verhoop
"de apotheek alhier uitoeffenende" als Doctor is
opgetreden, hem de pols heeft gevoeld en vragen heeft gedaan omtrent
zijn ziekte, hem zeggende dit of dat medicament te zullen leveren.
Christina, die oppaste, als Koning's vrouw uit was, heeft medicamenten
helpen ingeven, die door Verhoop
aan Karel Koning waren bezorgd. W.F. DAEMS |